Gebed, Studie, Actie!

Ben Schennink, oud wetenschappelijk medewerker van het Cicam in Nijmegen en bestuurslid van Pax (Pax Christi/IKV) vertelt over de beginjaren van Pax Christi en over de opdracht van kardinaal Feltin: “Gebed, Studie, Actie!”.

Maurice Kardinaal Feltin, aartsbisschop van Parijs, tijdens een rede voor de ambassadeurs in Frankrijk op 21 december 1951:

Studie: “Dat is juist het tweede doel van Pax Christi: centrum van studie zijn. Centrum van voorlichting allereerst, om de publieke opinie wakker te schudden en te vormen, die gevangen zit in de lenzen en vastgeroeste vooroordelen van de grote persbureaux; en om in het licht van de christelijke beginselen een internationaal verantwoordelijkheidsbesef aan te kweken, eerst bij de katholieken en dan, door hen, bij al hun landgenoten. Op de tweede plaats centrum van voortgezette studie, waar specialisten van de vrede samenkomen voor verder onderzoek: economen,sociologen, theologen en andere wetenschappelijk gevormden. Zij zullen elkaar voornamelijk ontmoeten ter vruchtbare bespreking van de moeilijkste problemen, waarvoor de pioniers van een wereldvrede komen te staan. Behalve gebed en studie streeft Pax Christi nog een derde doel na: het wil een haard van actie zijn.” (bron: “De Weg Naar Vrede, Nelissen. 1954, Bilthoven)

Feltin gaf de beweging de woorden gebed, studie en actie mee, om te voorkomen dat de beweging “de zoveelste vrome, brave, burgerlijke gebedsbeweging” werd . De invulling van deze woorden (gebed, studie, actie) in het vredeswerk verschilde door de jaren heen.

Het aspect ‘actie’ betrof voettochten, de Vredesweek, lobbying en druk uitoefenen op de nationale en lokale politiek, demonstraties tegen kernwapens, en de strategie ‘Ontspanning van Onderop’ die, onder andere, inhield dat burgers van alle mogelijke gezindten werden betrokken bij de oprichting van stedenbanden met voormalige Oostblok landen. Een aantal van die stedenbanden bestaan nog. Ze moeten tegenwoordig doen zonder de wetenschappelijke ondersteuning van voorheen en de Landenkringen waar ze deel van uitmaakten zijn opgeheven door geldgebrek. Het ‘gebed’ in het motto van Feltin is door de ontkerkelijking minder hoorbaar maar is bijvoorbeeld in een seculiere variant terug te vinden in de studie van Mark Elchardus: ‘Voorbij het Narratief van Neergang’. (Lannoo. 2015, Tielt).

Illustraties bij Research Data Journal for the Humanities and Social Sciences


Interviewee Jan de Ruiter now is a pensioner, but he has always been an entrepreneur. He is the treasurer of the Governors’ Association, just like his father was before him. His grandfather was also the owner of café Het Sluisje, the assembly room of the association from 1905 until 2017.
Café ‘Het Sluisje’ under new ownership, a newly formed co-operative in 2017. 


De ‘Commons’ en de sharing economy

In het kader van Europese wetgeving gericht op transparantie komt er meer druk op de kleine coöperatieve verenigingen komt te staan. Ook de grote zorginstellingen stellen contractuele eisen waar kleinere coöperaties moeilijk moeilijk aan kunnen voldoen. (Bron: Researchgroep Institutions for Collective Action, Universiteit van Utrecht). Kleinere coöperaties in Nederland krijgen steeds moeilijker en worden incidenteel zelfs opgeheven. Voor instituten die zich oorspronkelijk op eigen kracht hebben moeten oprichten is deze bemoeienis moeilijk te verteren, zeker als hij eerder beperkend is dan stimulerend.

Een nieuwe waardering van het coöperatief erfgoed kan een goede stimulans zijn voor een sfeer van openheid waardoor er gezamenlijk kan worden gezocht naar antwoorden.
Er zal ook overeenstemming moeten zijn over wat de coöperatieve gedachte inhoudt.

Er is een plethora aan nieuwe initiatieven die misverstanden in de hand werken. Zo’n misverstand is dat ‘the sharing economy’ een vorm van ‘commons’ is en daarmee een soort cooperatie kan zijn. Brian Van Slyke en David Morgan stellen op hun website “Grassroots Economic Organizing’ dat: ‘Sinds de recessie zijn er meer en meer mensen op zoek naar economische alternatieven. Men zoekt naar mutuele oplossingen in plaats van de “het is ieder voor zich” filosofie. In de kern is de ‘sharing economy’ echter een regeling om de risico’s van bedrijven te verschuiven naar individuen met de bedoeling om enorme winsten op te strijken met lage vaste kosten’. Deze ‘sharing economy’ bedrijven behoren tot de oude extractieve economie maar werken onder de vlag van de nieuwe generatieve economie. Ze doen zich voor als commons, als coöperatieve bedrijven en instituten maar zijn het niet.

Deze verwarring van definities wordt onderschreven door prof. Tine de Moor van de Universiteit van Utrecht. Zij pleit voor een helder onderscheid waardoor de kwaliteiten van de coöperatieve beweging in onze veranderende verzorgingsstaat tot hun recht kunnen komen.
De cooperatieve beginselen zijn dus heel anders dan veel bedrijven die zich groeperen onder de sharing economy.

De definitie van een coöperatie volgens Rochdale is dat het een autonome vereniging is van personen die zich vrijwillig hebben verenigd om hun gemeenschappelijke economische, sociale en culturele behoeften te versterken door middel van gezamenlijk eigendom binnen een democratisch gecontroleerde onderneming of instituut, gereguleerd door met elkaar overeengekomen beginselen. Het gaat niet om de rechtsvorm coöperatie, als aan de beginselen tegemoet wordt gekomen, als aan de beginselen wordt beantwoord is er sprake van een coöperatie.

Het onderzoek ‘Kroniek van een Bazenbondje’ dat word uitgevoerd door Stichting Reis van de Razzia is medio september 2016 beschikbaar. Uit het verslag wordt verder duidelijk waar de traditie uit bestaat, hoe hij geworteld is in de samenleving en wat de historische verbanden en achtergronden zijn.

Van Boerenleenbank naar Rabobank

Een kleine geschiedenis van de Boerenleenbank van de Nieuwendammerdijk. 

Annie Swart werkte in de 60’er jaren als cassiere bij de Boerenleenbank aan de Nieuwendammerdijk. Haar vader zat in het bestuur, als opvolger van haar grootvader, die een van de oprichters was van deze bank. Door gezamenlijk kapitaal ter beschikking te stellen werd het mogelijk, voor met name de boeren, om geld te lenen. De grote banken waren terughoudend, wat ruimte bood aan woekeraars. De co-operatieve bank bood het hoofd aan dergelijke praktijken en droeg bij aan de sociale cohesie.

Het gedachtengoed van Raiffeisen werd gedeeld door iedere bankmedewerker, van hoog tot laag, een boek te geven met een levensbeschrijving van de man. Annie vraagt zich af of de huidige medewerkers van de Rabobank nog kennis nemen van zijn gedachtengoed.

Raiffeisen is in het jaar 2018 overleden, hij zal in Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Nederland groots worden herdacht.  De Genossenschaften oftewel de co-operatieve beweging, waar de Rabobank ook onder valt, zijn sinds november 2017 onderdeel van UNESO Cultural Hermitage for Humanity.

 

 

 

Negatief advies Co-operatieve beweging als Werelderfgoed

De Co-operatieve beweging is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed ondanks een negatief advies. Hieronder is het negative advies te lezen. We hopen binnenkort ook de overwegingen te publiceren waarmee de Genossenschaften ondanks dit advies toch Werelderfgoed geworden zijn.

UNESCO EVALUATION BODY: DRAFT DECISION 11.COM 10.b.14  

The Committee

  1. Takes note that Germany has nominated Idea and practice of organizing shared interests in cooperatives (No. 01200) for inscription on the Representative List of the Intangible Cultural Heritage of Humanity:

A cooperative is an association of volunteers that provides services of a social, cultural or economic nature to members of the community to help improve living standards, overcome shared challenges and promote positive change. Based on the subsidiarity principle that puts personal responsibility above state action, cooperatives allow for community building through shared interests and values creating innovative solutions to societal problems, from generating employment and assisting seniors to urban revitalization and renewable energy projects. Anyone can participate, with members also able to acquire shares in the association and have a say in its future direction. The system makes available low-interest loans to farmers, craftspeople and entrepreneurs. Today, about a quarter of Germany’s population are members of a cooperative, which besides farmers and craftspeople, includes 90 per cent of its bakers and butchers and 75 per cent of its retailers. Some cooperatives have also been set up specifically for students to gain experience. Associated knowledge and skills are transmitted by cooperatives, universities, the German Cooperative and Raiffeisen Confederation, the Akademie Deutscher Genossenschaften, the German Hermann-Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society.

  1. Decides that, from the information included in the file, the nomination satisfies the following criterion:

R.5:   The file presents a relevant extract of inscription of the element on the German Inventory of Intangible Cultural Heritage in 2014. Traditional bearers, communities and non-governmental organizations were involved in the inscription process. The inventory is organized, maintained and updated by the German National Commission for UNESCO.

  1. Further decides that the information included in the file is not sufficient to allow the Committee to determine whether the following criteria are satisfied:

R.1:   Although the idea and practice of pursuing shared interests in cooperatives has been handed down in Germany from generation to generation, the nomination does not adequately demonstrate that this constitutes intangible cultural heritage as defined in Article 2 of the Convention. The file is considered generally ambiguous: it places emphasis on the notion of collaboration through cooperatives, and on the worldwide understanding of cooperatives, rather than on the specific characteristics that define cooperatives and associated practices for the community or communities concerned with this particular nomination. The bearers and practitioners of the element are not clearly defined and it is therefore unclear whether communities concerned only include members of German Hermann-Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society, the German Cooperative and Raiffeisen Confederation, or everyone involved in cooperatives in Germany;

R.2:   Given the difficulty to clearly define the element in question, it is difficult to understand how a possible inscription would contribute to ensuring visibility and awareness of intangible cultural heritage. While the file indicates that inscription would encourage dialogue among communities with similar cooperative organizations, and the promotion of certain values, such as solidarity, the nomination file does not clearly define how such an inscription would enhance the visibility of intangible cultural heritage in general;

R.3:   The viability of the element is being ensured by initiatives carried out by the German Hermann-Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society, with the support of the submitting State. New safeguarding measures are proposed such as public relations campaigns, competitions, work in schools on the topic of cooperatives, and a cross-border thematic cultural hiking trail. The file recognizes that the element could be decontextualized by legal frameworks that undermine its basic principles and that ongoing negotiations in this respect are necessary. Furthermore, the proposed promotion of the element in other countries could be considered as inappropriate and not in the spirit of the Convention;

R.4:  The file was prepared with the cooperation of representatives of the German Hermann‑Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society. The file presents letters expressing the free, prior and informed consent of these two representative institutions. Given the difficulty to clearly understand the contours of the communities concerned with this element, the consultative process however appears to have been somewhat top-down and the range of evidence for consent provided does not appear to reflect the variety of stakeholders consulted.

  1. Decides to refer the nomination of Idea and practice of organizing shared interests in cooperatives to the submitting State and invites it to resubmit the nomination to the Committee for examination during a following cycle.