De Stedenband Groningen-Moermansk

Om aan de Koude Oorlog voorbij te kunnen gaan

De dertig jaar oude stedenband tussen Groningen en Moermansk kan gezien worden als een een instituut maar ook als een gezelschap mensen van steeds wisselende samenstelling verbonden door het centraal doel ‘het vinden van gemeenschappelijke grond tussen Groningen en Moermansk’ om zo op een persoonlijke manier een bijdrage te leveren aan vrede en welzijn tussen Oost en West, tussen Rusland en Nederland.

De stedenband is voortgekomen uit contacten die zijn aangegaan door een divers gezelschap bestaande uit onder andere het Gronings Vredesplatform, het Arctisch Centrum en het Polemologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen en de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij, onder begeleiding van de toenmalige burgemeester van Groningen, Jos Staatsen. In 1989 troffen zij een Rusland aan dat aan de vooravond stond van enorme veranderingen een land dat na 30 jaar sterk veranderd is. Het uitgangspunt van de stedenband, het overwinnen van tegenstellingen door het vinden van gemeenschappelijke grond, is gedurende al die jaren onveranderd gebleven. De band tussen de twee steden heeft een permanente ruimte kunnen innemen binnen dit steeds veranderende geo-politieke krachtenveld. Een ruimte aan de andere kant van Europa, een geconstrueerde vriendschappelijke ‘enclave’ die kan worden ingenomen door burgers die betrokken willen zijn bij vraagstukken van vrede en veiligheid. [i]  

De stedenbanden die zijn aangegaantussen Oost enWest in de periode rond de val van de muur zijn vaak gemotiveerd door het gedachtegoed van de Nederlandse vredesbeweging en vanuit het idee van ‘burger diplomatie’. Het idee van de stedenbanden is al veel ouder. Begonnen rond 1900 kreeg het idee een nieuwe impuls na de Tweede Wereldoorlog. Vanuit een dringende behoefte aan verzoening werden er onmoetingen georganiseerd tussen burgers van verschillende landen om op die manier aan gevoelens van vijandschap voorbij te kunnen gaan. Anno 2018 zijn er zo’n 20.000 stedenbanden in Europa waarvan 2200 tussen Frankrijk en Duitsland. Het begrip stedenband is, hoe vaag dan ook, verankerd in het collectieve bewustzijn. Het begrip is daarmee in feite een Lieux de Memoire, een monumentaal immaterieel erfgoed dat aandacht verdient. In de ogen van het tegenwoordige publiek zijn stedenbanden vaak wat stoffig, ze dragen een imago van vriendelijke wellevendheid met zich mee.[ii] De inspanning echter die achter het aangaan van een stedenband schuilgaat en de moeite die het kost om vrienschappelijke relaties te onderhouden in tijden van mondiale spanning, zijn helaas niet zichtbaar in de keurige welkomstborden die vaak bij gemeentegrenzen zijn geplaatst.

Vanaf 1989 na de val van de Muur onstond een nieuwe golf van stedenbanden, ditmaal tussen Nederland en landen uit het voormalig Oostblok. Het initiatief voor een aantal van die stedenbanden was vaak al eerder genomen door de vredesbeweging wiens strategie “Ontspanning van Onderop” het realiseren van wederzijds begrip en op het afbreken van vijandbeelden wilde bevorderen. Na de val van de Muur werd ook gestreefd naar hulp bij economische hervormingen en steun bij het democratisch proces. De stedenband Groningen-Moermansk is een voorbeeld van een stedenband met een unieke geschiedenis in de vredesbeweging. Een belangrijke naam in de geschiedenis daarvan is Ben ter Veer, indertijd medewerker aan het Polemologisch Instituut aan de Universiteit van Groningen en actief als voorzitter van het IKV het Interkerkelijk Vredesberaad . Ben ter Veer bracht zijn ideeën ook in de praktijk als voorzitter van de stedenband Groningen-Moermansk. Hij was al eerder, vanaf 1966, bestuurslid van de Rooms-Katholieke vredesbeweging Pax Christie. Deze beweging, ontstaan na de Tweede Wereldoorlog, was sterk gemotiveerd door de pauselijke encycliek Pacem In Terris uit 1962. In deze encycliek, werd opgeroepen tot wereldvrede en tot een kritische en actieve houding door ‘mensen van goede wil’.[iii] Deze benadering is ook te herkennen in de praktijk van de stedenband Groningen-Moermansk. Ter Veer stelt in 1998 in een verslag dat er “expliciet aandacht werd besteed aan de noodzaak om de burgers te informeren over elkaars steden, de ontwikkelingen die zich in het leven van burgers voordoen”.[iv] De stedenband Groningen-Moermansk wordt dan al niet meer door de vredesbeweging ondersteund maar is een zelfdragende organisatie geworden gedreven door ‘mensen van goede wil’, afkomstig uit de gemeente, het bedrijfsleven en uit de stad. De stedenband is in die periode ook deel gaan uitmaken van de Landenkring Rusland, een verband waarin de steden met een band in Rusland bijeenkomen om kennis en ervaring uit te wisselen. Ben ter Veer stelde in 1967 in een rede voor Pax Christi dat een programma geworteld moet zijn in een historisch bewustzijn van de unieke trends die zich sinds de Tweede Wereldoorlog ontwikkelen.[v] Van een gemeenschappelijk prorgamma is anno 2019 geen sprake meer.

De Landenkring Rusland is inmiddels opgeheven en een groot aantal stedenbanden met landen van het voormalig Oostblok zijn opgeheven. Tussen Nederland en Rusland is nog een enkele stad actief, waaronder Groningen. De noodzaak om een stedenband met Rusland te onderhouden is daartentegen niet afgenomen, integendeel. Organisatoren en participipanten kunnen een beeld schetsen wat er voor hen op het spel staat. De huidige voorzitter van de Stichting Stedenband Groningen-Moermansk Marjo van Dijken stelt bijvoorbeeld: “De relatie tussen Nederland/Europa en Rusland staat onder grote politieke druk”, maar: “Wanneer mensen met de rug naar elkaar toe gaan staan, geen oogcontact meer hebben, elkaars stem niet meer horen- zeker niet wanneer er gefluisterd wordt – dan vergroten we niet onze eigenheid en zelfstandigheid: dan verliezen we onze medemenselijkheid.”Voor Ben ter Veer gaat het niet alleen om goede bedoelingen, hij is ook openlijk pragmatisch: “It can perhaps be considered to be in our own interest to work for international co-operation, for otherwise, in the long run, we might find ourselves at the receiving end of very negative developments”.[vi]


[i] Paul Scheffer in NRC/handelsblad 21 sept. 2018 signaleert een maatschappelijk probleem door te stellen dat: De afstand tussen de internationalisering van de wereld en de plaatsgebonden levens van het merendeel van de bevolking is toegenomen. Dat is een voorname oorzaak van het verschil tussen de positieve waardering die mensen aan hun eigen leven toekennen en het sombere oordeel van diezelfde mensen over de samenleving: ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.’ De vele verhalen over de virtuele wereld die we bewonen ten spijt: ook in onze tijd doen afstanden er nog steeds toe.”

Het overbruggen van afstanden en de ontmoetingen door ‘plaatsgebonden’ burgers lijken de hierboven beschreven stemming tegen te gaan. Zie ook de enquete: YouGov, European Youth 2018 en Young Europe 2018, (2018) TUI Stiftung, Hannover. Hierin wordt het positieve effect van uitwisselingsprogramma’s opgemerkt.

[ii] Ewijk, Edith van. “Stedenbanden hebben een imagoprobleem. Mensen denken vaak aan de ontwikkelingsbanden uit de jaren ’80, waar Nederlandse gemeenten bijvoorbeeld hulp boden aan arme gemeenten in Nicaragua. Of aan plezierreisjes van gemeenteambtenaren.” (N.a.v. onderzoek: Knowledge exchange and mutual learning in Dutch-Moroccan and Dutch-Turkish municipal partnerships). (14-02-2014) OneWorld

[iii] Interview met Ben Schennink, oud wetenschappelijk medewerker aan het Studiecentrum voor Vredesvraagstukken te Nijmegen ensecretaris van Pax Christie. Interview in het bezit van de auteur.

[iv] Bijvoorbeeld: Henk Gerritsma van het Centrum voor Onderwijs over internationale Vraagstukken (COIV) van de vakgroep Polemologie ontwikkelde al in 1989 een relatie met het Moermansk Rijks Pedagogisch Instituut om in samenwerking daarmee voor 12 to 18 jarigen leergangen te ontwikkelen over mogelijke problemen en conflicten. Gerritsma is als bestuurder in het IKV actief geweest.

[v] Schennink, Ben et al, In Beweging voor de Vrede, Veertig jaar Pax Christie: geschiedenis, werkwijze, achterban en invloed.

[vi] Ter Veer, Ben in: Dion van den Berg (et al), Winning by Twinning: Experiences and Evaluations of Links between Dutch and Central European Cities. 1996. Peace Research Centre, Nijmegen.

De stedenband Wageningen-Gödöllő

Burgers op zoek naar gemeenschappelijke grond in een verdeeld Europa

De stedenband tussen Wageningen in Nederland en Gödöllő, een stad op zo’n 60 kilometer van Budapest in Hongarije is ontstaan na de val van het IJzeren Gordijn in 1989. stedenband. In een periode van ongekend optimisme knoopten tientallen Nederlandse steden enthousiast banden aan met het voormalig Oostblok. Het communistische systeem had het uiteindelijk afgelegd tegen het democratische Westerse model.

De stedenband tussen Wageningen en Gödöllő is inmiddels zo’n 30 jaar oud. Ieder jaar vindt er een uitwisseling plaats. Dit jaar vertrekt er in oktober een delegatie naar Hongarije. Een reisgezelschap kan bestaan uiy onder andere uit middelbaar scholieren, het vrouwennetwerk Ingenieurs, de gemeente(raad)Welzijn en Gezondheidszorg, jongerenafdelingen van lokale politieke partijen en vertegenwoordigers van de organisatie. De deelnemers worden ondergebracht bij gastgezinnen en nemen deel aan een intensief programma van uitvoeringen, ontmoetingen en officiële handelingen, dat twee dagen duurt.

Buiten het stedenbandbezoek om speelt zich een ander programma af: dat van de Hongaarse gemeentelijke verkiezingen. De uitkomst daarvan is niet alleen van belang voor Gödöllő, het is ook een indicatie van de populariteit van de leidende landelijke partij Fidesz, een partij die een nationalistische politiek voorstaat met beperkte vrijheden voor burgers, wat volgens de Europese Unie in tegenspraak is met haar beginselen. Door deze politiek zijn er serieuze breuklijnen ontstaan binnen de EU. In een brandbrief aan de internationale pers schreven een dertigtal Europese intellectuelen een artikel met de kop ‘Europa is in Gevaar’.[i] Het zou wel eens kunnen zo zijn dat het moderne concept van stedenbanden, dat uit de Tweede Wereldoorlog voortkwam en bedoeld was om vriendschap en begrip tussen voormalige vijanden en verschillende culturen te bevorderen,urgenter is dan ooit. 

Achtergronden 

In de jaren na 1945, in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, stonden er al burgers op die absoluut wilden voorkomen dat Europa opnieuw in oorlog zou vervallen. Verzoening werd al belangrijk instrument gezien om dat te voorkomen. Om dat mogelijk te maken werden er ontmoetingen gerealiseerd tussen groepen burgers uit voormalig vijandelijke landen. De intentie was vaak om te komen tot een langdurige en formele vriendschapsrelatie tussen steden. Hoewel de burgers en burgemeesters vaak op eigen initiatief tot elkaar kwamen, kan de opkomst van stedenbanden na de Tweede Wereldoorlog beschouwd worden als een georganiseerd fenomeen. 

Zo werd de CEMR (the Council of European Municipalities and Regions) in 1951 opgericht om lokale gemeenschappen te mobiliseren om daarmee de eenwording van Europa te bevorderen. Ook de Europese Unie heeft, in al haar verschijningsvormen, deze ontwikkeling gestimuleerd. Haar streven naar ‘vrede en verzoening, democratie en mensenrechten in Europa’, bracht de EU in 2012 de Nobelprijs voor de Vrede. In het besluit werd onderstreept dat: “Duitsland en Frankrijk gedurende een periode van zeventig jaar drie oorlogen hadden gevochten. Tegenwoordig zou een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk ondenkbaar zijn. Dit laat zien hoe, door gerichte inspanningen en door het opbouwen van wederzijds vertrouwen, historische vijanden hechte partners kunnen worden.” Ook de versterking van de democratie in Oost-Europa na de revoluties van 1989 en het overwinnen van “de scheiding tussen Oost en West” werden in het besluit gewaardeerd. 

Anno 2018 zijn er zo’n 20.000 stedenbanden in Europa waarvan 2200 tussen Frankrijk en Duitsland. Stedenbanden vormen met elkaar in feite een instituut, een los netwerk dat gelijktijdig met het ontstaan van de Europese Unie opgang heeft gemaakt. De historicus Tony Judt waarschuwt echter voor een te makkelijke interpretatie van de geschiedenis: “Het post-nationale Europa, dat van de verzorgingsstaat, coöperatief en vreedzaam, is niet geboren uit het optimistische, ambitieuze, progressieve project dat de de huidige Euro-idealisten zich voorstellen. Het was het onzekere kind van angst. Geplaagd door het spook van de geschiedenis voerden de leiders sociale hervormingen uit en richtten nieuwe instituten op als preventieve maatregelen om het verleden op afstand te houden”.[ii] “Stedenbanden ontstonden uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog om vervolgens te worden gevormd door de politiek en angsten van de Koude oorlog en de nasleep daarvan”.[iii]Het IJzeren Gordijn maakte het aangaan van contacten met landen uit het Oostblok lastig, zo niet onmogelijk. Het verenigd Europa bleef beperkt tot het westen.

Het idee van de stedenbanden in Europa kreeg opnieuw een impuls rond de val van de muur in 1989. De mogelijkheid van een herenigd Europa leidde tot een veelheid aan lokale initiatieven, variërend van het brengen van hulpgoederen en het organiseren van culturele uitwisselingen. Zo’n 20 Nederlandse steden knoopten banden aan met gemeentes in Hongarije om het democratiseringsproces te ondersteunen en de eenheid in Europa te bevorderen. 

Nederland-Hongarije-Europa

Van de 20 steden in Nederland met banden in Hongarije heeft meer dan de helft afgehaakt. Op dit moment zijn er naar schatting slechts 9 steden over met een band met een Hongaarse stad, waarvan een aantal niet actief is. Verklaringen voor de opheffing van een stedenband worden gevonden in vergrijzing binnen de organisatie of een gebrek aan financiële ondersteuning. Daarnaast werd er ook wel geredeneerd dat Hongarije was toegetreden tot de EU en dat een stedenband daarom overbodig geworden zou zijn.[iv] Een andere verklaring misschien is een gevoel van ongemak, over de politieke koers van Hongarije binnen de Europese Unie. Wat misschien ook een rol speelt is dat stedenbanden last hebben van een wat stoffig imago, ze worden niet altijd als relevant gezien.[v]

Wageningen is een van de weinig overgebleven Nederlandse steden die, samen met hun Hongaarse zusterstad, de stedenband actief onderhouden. De stedenband Wageningen-Gödöllő  bestaat al 26 jaar actief en wordt nog steeds door een breed deel van de bevolking gedragen. De officiële band tussen de twee steden is voortgekomen uit eerdere contacten door de kerkgemeenschap en bestaat sinds 1992. Het uitgangspunt, het ontmoeten en het overbruggen van verschillen door vriendschappelijke contacten, is gedurende die jaren onveranderd gebleven. Echter, Nederlandse deelnemers troffen in 1992 een Hongarije aan dat inmiddels sterk veranderd is. Ongetwijfeld kijken de deelnemers uit Hongarije tegenwoordig met een andere blik naar Nederland en naar de Europese Unie dan zij die 26 jaar geleden naar Nederland kwamen. Ook de Nederlanders komen in een ander Hongarije terecht dan hun voorgangers van 26 jaar geleden.

De stedenband heeft zich niet alleen in de loop der jaren ontwikkeld maar heeft standgehouden, ook in het huidige klimaat waarin het gros van de stedenbanden met Hongarije zijn verbroken. De vraag die kan worden gesteld is of een stedenband als Wageningen-Gödöllő  een rol heeft gespeeld in het wordingsproces van de Europa en wat de uitdagingen zijn waar burgers en burgemeesters in de toekomst nog voor komen te staan.


[i] [i] Bernard Henri Levy, Mario Vargas Losa, Herta Muller, Orban Pamuk et al, Huize Europa staat in Brand, (25 januari 2019) NRC 

[ii] Tony Judt Postwar: A History of Europe since 1945, New York Penguin, 2005

[iii] Nick Clarke (2010) Town Twinning in Cold-War Britain: (Dis)continuities in Twentieth-Century Municipal Internationalism, Contemporary British History, 24:2, 173-191, DOI: 10.1080/13619461003768272

[iv] Volgens een EU onderzoek is er nog geen evenwicht bereikt: “the pattern of young people’s engagement is not homogeneous throughout Europe. In some areas of the European Union particularly some countries in the Eastern and Baltic regions young people have not had as many experiences of global activism as their counterparts elsewhere”. ‘Situation of young people in the European Union’, Commission Staff Working Document (2018) European Commission.

[v] Ewijk, Edith van. “Stedenbanden hebben een imagoprobleem. Mensen denken vaak aan de ontwikkelingsbanden uit de jaren ’80, waar Nederlandse gemeenten bijvoorbeeld hulp boden aan arme gemeenten in Nicaragua. Of aan plezierreisjes van gemeenteambtenaren.” (N.a.v. onderzoek: Knowledge exchange and mutual learning in Dutch-Moroccan and Dutch-Turkish municipal partnerships). (14-02-2014) OneWorld 

First step in archival Chronicle of a Governors’ Association

Ultimately, the project Chronicle of a Governors’ Association (Kroniek van een Bazenbondje) will be completely archived at DANS (Data And Networked Services), an institute that belongs to the KNAW (Royal Academy for the Sciences). https://www.knaw.nl/en/about-us/academy-history

The peristent identifier of the project is https://doi.org/10.17026/dans-z9h-nrev

Bad New Days: Art, Criticism, Emergency

The title of Hal Foster’s new book Bad New Days: Art, Criticism, Emergency is drawn from an oft-quoted maxim of Bertolt Brecht’s: “Don’t start with the good old days, but the bad new ones.”

Fragments of an article by  POSTED 09/08/15 12:30 PM ARTNEWS.com

The second chapter, “Archival,” a version of which was also previously published in October, in 2004, as “An Archival Impulse,” considers the work of Thomas Hirschhorn, Tacita Dean, Joachim Koester, and Sam Durant, artists who take up the role of archivist, recuperating lost or marginal historical events and figures as a “gesture of alternative knowledge or counter memory.”

Foster links these practices to a “will to connect what cannot be connected,” in Hirschhorn’s words, an impulse he relates to Freud’s characterization of the paranoiac’s tendency to project private meanings and oblique connections onto a world “ominously drained of all significance.” Foster suggests that such projects contain a utopian core, a move away from a reading of history as merely traumatic toward one in which cultural memory is made productive, marshalled toward the creation of new associations and encounters.

The Foundation Years of Association ‘To Our Avail’

The Foundation Years of Association ‘To Our Avail’: 1905/1938.

After the abolishment of the Guilds in 1820, the co-operative idea is regenerated around 1870. The second wave had started and ‘To Our Avail’ can be regarded as part of that particular movement. This is not to say that rules and regulations where clear cut or centrally dispersed. As a grassroots association, the founders of ‘To Our Avail’ in effect had to figure out for themselves how to operate. The main conclusion which could be drawn from this first chapter of the research project is the fact that within the Association certain principles are elementary to the functioning of the organisation, such as rules and regulation, implementation, conviviality and festivities. Not all of these elements are in place at the time of the launch of the Association and have gradually evolved. It’s been a 35 year long process before the relationship between formal and informal institute finally matured. The juxtaposition between these two concepts will prove to be essential for the longevity of the Association “To Our Avail”.

(For further reading: see the project page Kroniek van een Bazenbondje)

Considering the DRAFT Decision of the Evaluation Body

Genossenschaften have been put on the list Intangible Cultural Heritage of Humanity despite the negative advice of the Unesco Evaluation Body. Below the reasoning for accepting the nomination.

Decision of the Intergovernmental Committee: 11.COM 10.B.14

The Committee

  • Takes note that Germany has nominated Idea and practice of organizing shared interests in cooperatives (No. 01200) for inscription on the Representative List of the Intangible Cultural Heritage of Humanity:

A cooperative is an association of volunteers that provides services of a social, cultural or economic nature to members of the community to help improve living standards, overcome shared challenges and promote positive change. Based on the subsidiarity principle that puts personal responsibility above state action, cooperatives allow for community building through shared interests and values creating innovative solutions to societal problems, from generating employment and assisting seniors to urban revitalization and renewable energy projects. Anyone can participate, with members also able to acquire shares in the association and have a say in its future direction. The system makes available low-interest loans to farmers, craftspeople and entrepreneurs. Today, about a quarter of Germany’s population are members of a cooperative, which besides farmers and craftspeople, includes 90 per cent of its bakers and butchers and 75 per cent of its retailers. Some cooperatives have also been set up specifically for students to gain experience. Associated knowledge and skills are transmitted by cooperatives, universities, the German Cooperative and Raiffeisen Confederation, the Akademie Deutscher Genossenschaften, the German Hermann-Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society.

  • Decides that, from the information included in the file, the nomination satisfies the following criteria:

R.1:   The idea and practice of pursuing shared interests in cooperatives has been handed down in Germany from generation to generation and constitutes intangible cultural heritage as defined in Article 2 of the Convention. While collaboration through cooperatives is a worldwide phenomenon, specific characteristics of the community in Germany have been highlighted in the nomination. Mutual respect, equality and solidarity between the bearers are guaranteed by law, resulting from the initiative of the community. Social and cultural purposes are prominent among the shared interests pursued through cooperatives. Throughout Germany, two large associations of volunteers jointly promote the transmission of knowledge and the social practice. All practitioners of the element identify with this community in social, cultural and economic terms;

R.2:   The element’s inscription will contribute to ensuring visibility and awareness of intangible cultural heritage because the large number of bearers and practitioners in Germany will act as multipliers in various domains of daily life like education and culture, house building and renting, agriculture, skilled crafts, transport, credit system etc. Due to its effectiveness in satisfying existential needs, the element clearly shows the part played by intangible cultural heritage in ensuring social cohesion and sustainable development. Inscription will also encourage dialogue among communities with similar cooperative organizations, and the promotion of certain values, such as solidarity;

R.3:   The viability of the element is being ensured by initiatives carried out by the German Hermann-Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society, with the support of the submitting State. New safeguarding measures are proposed such as public relations campaigns, competitions, work in schools on the topic of cooperatives, and a cross-border thematic cultural hiking trail. The file recognizes that the element could be decontextualized by legal frameworks that undermine its basic principles and that ongoing negotiations in this respect are necessary. German development cooperation promotes the element in other countries as a response to societal challenges only if and where local partners express such a need and in strict compliance with national laws and regulations of the countries concerned;

R.4:  The file was prepared with the cooperation of representatives of the German Hermann‑Schulze-Delitzsch Society and the German Friedrich-Wilhelm-Raiffeisen Society. The file presents letters expressing the free, prior and informed consent of these two representative institutions. The broad-based consultation with the variety of stakeholders of the element has been carried out in an extensive participatory process of national inventorying (2013). Support for the element’s nomination for inscription on the Representative List of the Intangible Cultural Heritage of Humanity was confirmed via the public media and through internal communication processes within the cooperatives;

R.5:   The file presents a relevant extract of inscription of the element on the German Inventory of Intangible Cultural Heritage in 2014. Traditional bearers, communities and non-governmental organizations were involved in the inscription process. The inventory is organized, maintained and updated by the German National Commission for UNESCO.

  • Inscribes Idea and practice of organizing shared interests in cooperatives on the Representative List of the Intangible Cultural Heritage of Humanity;

Thanks the delegation of Germany for the clarifications provided to the Committee on the information included in the file concerning criteria R.1, R.2, R.3 and R.4.

Schultze-Delitzsch Gesellschaft supports nomination Dutch National Inventory

The Hermann Schultze-Delitzsch Gesellschaft supports the nomination of the Governors’ and Memento Mori Associations of Nieuwendam. They regard the co-operative movement as elementary for the Dutch Inventory of Intangible Cultural Heritage.

The Schultze-Delitzsch Gesellschaft is one of the two organisations that has put forward an application for the Genossenschaften on the Word Heritage List of UNESCO. The nomination will be discussed in the week of 28 november 2016 in Addis Abeba on a UNESCO convention.

delitzsch-copy

(Following: an excerpt from Wikipedia 11-’16)

Franz Hermann Schulze-Delitzsch (29 August 1808 – 29 April 1883) was a German politician and economist. He was responsible for the organizing of the world’s first credit unions. He was also co-founder of the German Progress Party.

Schultze-Delitzsch devoted himself to the organization and development of co-operation in Germany, and to the foundation of Vorschussvereine(peoples’ banks), of which he had established the first at Delitzsch in 1850. In 1859 the more than 200 such banks were centrally organized under the direction of Schulze-Delitzsch. He promoted the first Genossenschaftstag, a co-operative meeting, in Weimar, and founded a central bureau of co-operative societies. In 1861 he again entered the Prussian Chamber, and became a prominent member of the Progressist party.

The spread of these co-operative organizations naturally led to legislation on the subject, and this too was chiefly the work of Schulze-Delitzsch. As a member of the Chamber in 1867 he was mainly instrumental in passing the Prussian law of association, which was extended to the North German Confederation in 1868, and later to the empire. Schulze-Delitzsch also contributed to uniformity of legislation throughout the states of Germany, in 1869, by the publication of Die Gesetzgebung über die privatrechtliche Stellung der Erwerbs- und Wirthschaftsgenossenschaften, etc.[1]

Both as a writer and a member of the Reichstag his industry was incessant, and he died in harness on 29 April 1883 at Potsdam, leaving the reputation of a benefactor to the smaller tradesmen and artisans. At the time of his death, there were in Germany alone 3,500 co-operative banking branches with more than $100,000,000 in deposits, while the system had been extended to Austria, Italy, Belgium and Russia.[2] His work was noteworthy enough to attain mention in Leo Tolstoy’s novel, Anna Karenina.

Co-operative Movement of the Netherlands on the National Inventory Intangible Cultural Heritage?

tempel blauwFoundation Journey of the Razzia (Reis van de Razzia) has put forward a proposal to list the Co-operative Movement of the Netherlands on the National Inventory of Intangible Cultural Heritage.

The proposal wil be evaluated in November 2016, somewhere at the time the German application to put the Genossenschaften on the Word heritage reference list of UNESCO wil be decided. The Dutch proposal is effectively put forward by the Associations ‘To Our Avail’ and ‘Memento Mori’. The proposal is backed by the National Co-operative Museum. 


(The following comes from the research report). 

The research project ‘Chronicle of a Gov’s Association’ has established by fact that the Association “To Our Avail” is not an isolated biotope. The Association was able to respond adequately to the evolving economical circumstances and this has contributed to her longevity. “To Our Avail”’ has also empowered the local community for more than a century by strengthening social cohesion. Apart from that, the flexibility of the economy increased because the cooperative movements lead to a greater diversity of business structures. 

The attention for cooperative forms can be traced back to the early Middle Ages. ”At that time”, argues Prof. De Moor, ”there was a Silent Revolution, because it didn’t evolve riots, but the construction of new social institutions”. The current economical cycles we are experiencing are, according to the De Moor, evidence of a new Silent Revolution. New Business-models increasingly incorporate cooperative principles as a solution for the dwindling Welfare-State. Nevertheless, despite her longstanding history, the cooperative principles are not always being carried forward by businesses presenting themselves as “commons”. The up and coming Sharing Economy and changing structures of some well-known Cooperative Banks seriously contribute to this wide-spread disorientation. 

Nurturing of and promoting the cooperative principles encourages new forms of Institutions for Collective Action orientate and helps to prevent confusion. The project ‘Chronicle of The Governor’s Association’ provides a modest contribution by securing the importance and the history of this local cooperative through immortalizing the personal stories and minutes of ”To Our Avail” and by situating them in the context of their times. In line with this we propose the Cooperative Movement as a suitable candidate for the Dutch National Intangible Heritage Inventory.[1] At present our request coincides with the current application to the UNESCO Commission Germany for the Genossenshaften to be included on the Representative List for the Intangible Cultural Heritage of Humanity. The Association “To Our Avail” is very proud to be part of this movement and is looking forward to see the German application for UNESCO accepted by November 2016.

(Translation: Jeanette Tierney)

Introduction: Chronicle of the Governor’s Association

bbondje_rood_achterland_basisChronicle of the Governor’s Association is a field research project investigating the sustainability of a so-called Institution for Collective Action.

A cooperative Association is an expression of such an institute. By examining the functioning of a 110-year-old Cooperative sickness fund we aimed to identify the qualities that have ensured the long-term existence of the Association.

The Association “To Our Avail” has operated since 1905 as a communal sickness fund for entrepreneurs in Amsterdam-North. The Association is part of the so-called Second Wave of the Cooperative Movement, initiated in Germany by Friedrich Wilhelm Raiffeisen and Franz Hermann Schulze-Delitzsch. The German movement led to the foundation of for example the Raiffeisenbank and Local Farmer’s Bank (Boerenleenbank). In 1972 the two merged, resulting in the Cooperative RaBoBank. Since 2015 the cooperative structure has gradually been abandoned to a more centralized form of management control.

By means of counteraction to this form of progression a renewed interest has arisen for various forms of cooperative entrepreneurship. The rise of the Participation Society and the economical crisis of 2008 are all determinants, which have sparked this renewed interest in the commonality.

Despite this interest, the principles of self-governance and cooperation are currently no longer apparent in the collective social conscience, argues Prof. Tine Moor (University of Utrecht. With the research project Chronicle of the Governor’s Association we aim to contribute to safeguarding and propagating the original principles of the Society.

The emphasis of the project Chronicle of The Governor’s Association lies on facilitating the process of change within the Association “To Our Avail”. In order to achieve this goal we applied the Method “Challenge for Change” as developed by the National Film Board of Canada (NFB). Hereby filmed video-interviews and reports are employed to create discourse. The data is consequently presented to the target group and generates new outcomes. The board and members of the Association “To Our Avail”’ thus form active participants in our research. The interviews were supplemented with results of historical research in order to provide the necessary context. We collaborated with experts conducting contemporary Academical Research about the functioning of Commonality in the present period, also known as the Third Wave of the Cooperative Movement.

The project The Chronicle of The Governor’s Association is divided into three periods of which the first one covers the foundation years and the rise of the Society from 1905 till 1939. The second period deals with the Welfare-State: 1966-1985.

The third and final chapter covers the period 2005-2016 of which the latter years were dominated by the American Financial Crisis of 2008 . This crisis gradually resulted in a fundamental rethink among citizens and local communities worldwide about the actual functioning of the present-day economical principles.

Chronicle of The Governor’s Association has thus become a narration of the local and the common, juxtaposed against the setting of the bigger social movements. The Association “To Our Avail” can therefore be seen as a lieu de mémoire in which “Memory” and “History” are intertwined, a relationship formerly described by Pierre Nora. (Pierre Nora. “Between Memory and History: Les Lieux de Mémoire” as published in the Magazine Representations – edition 26.)

The project Chronicle of the Governor’s Association is initiated by the Dutch Foundation Journey of the Razzia (Stichting Reis van de Razzia) in the context of its research programme “Journey through the Hinterland”. The project is supported by the research group ‘Institutions for Collective Action’, supervised by Prof. Tine de Moor of the University of Utrecht. Also partner in the project were the Digital Platform DANS (Data And networked Services) of the KNAW (Royal Dutch Academy for Science).

The projecPrins-Bernhard-Cultuurfonds_RGB_logo-800x846pxt is financially supported by the Prince Bernard Culture Fund North-Holland.